Home » Waarom ik in God geloof ... » een vierde vraag

een vierde vraag

* Een vierde vraag
 
Na de eerdere drie, beknopte vragen en antwoorden nog een vraag. Deze keer met een uitgebreid antwoord.
 
Wat is zónder God de betekenis van belangrijke menselijke gevoelens als liefde, vriendschap en saamhorigheid ?
 
atheïst
 
Laten we eerst uitgaan van het standpunt van de atheïst.
Hij denkt dat de mens samenvalt met zijn lichaam. Buiten dat lichaam bestaat hij niet en als dat lichaam sterft, is de mens verdwenen. Er is niet meer in het heelal dan het stoffelijke, het materiële. De mens is een toevallig product van de natuur, een diersoort die zich zo heeft ontwikkeld dat hij tot nadenken in staat is.
Liefde, vriendschap en saamhorigheid zijn dan zaken die alleen voortkomen uit de manier waarop deze denkende dieren op elkaar reageren.
Om als gemeenschap samen te leven is het nuttig als er bepaalde mechanismen zijn, die ervoor zorgen dat mensen met elkaar samenwerken.
Uit die behoefte komt voort dat mensen zich sociaal opstellen. Liefde is ook te herleiden tot die behoefte.
Dat betekent dat asociaal handelen, liefdeloos optreden, haatdragend en wreed zijn, alléén maar afkeurenswaardig zijn omdat die het functioneren van de gemeenschap, dus van de groep denkende dieren, belemmeren.
Níet omdat er een andere reden is om goed te doen. Het gaat in feite niet verder dan de redenen waarom mieren in een mierenkolonie zich inzetten voor het goed functioneren van de kolonie.
 
gelovige
 
De gelovige ziet wel degelijk een andere reden om goed te doen. Hij denkt dat de liefde van God komt. De mens kent de liefde en is in staat om liefde te geven, omdat hij is geschapen naar het evenbeeld van God. (noot)
Wij hebben dus allemaal een goddelijke vonk in ons. Het is onze uitdaging (en roeping) om die vonk tot een vlam te maken en te bewaren.
Wij zijn niet in staat om God te begrijpen of te doorgronden. Maar wij zijn wel in staat om te begrijpen dat de lichamelijke grenzen van de mens, en die van het fysieke heelal, ook maar grenzen zijn. En dat er buiten die grenzen méér is.
Uit dat begrip kunnen mensen onnoemelijke kracht putten. Dan kunnen mensen ook liefdevol zijn als dat tegen de gemeenschap in gaat, als bv. de staat eisen stelt die lijnrecht tegen de liefde ingaan.
Die diepgewortelde wens om het goede te doen heeft een goddelijke oorsprong. Door hiervoor te kiezen nadert de mens God.
 
agnost
 
Naast de atheïst en de gelovige, kan de agnost zeggen dat hij niet weet waar de wens om goed te doen vandaan komt. Hij maakt geen keuze, hij zegt dat de liefde misschien voortkomt uit het belang om de groep te kunnen laten functioneren (de “dierlijke” visie van de atheïst), of misschien een bovennatuurlijke oorsprong heeft.
De agnost weigert een keuze te maken, omdat hij stelt dat de mens niet in staat is om iets over God te beweren. Wij kunnen niet beweren dat God wel of niet bestaat, dus kunnen wij daarover beter zwijgen.
 
Veel gelovigen ervaren twijfel. Dat is niet hetzelfde als de twijfel van de agnost dien geen keuze maakt voor het wel of niet bestaan van God. Want de agnost maakt wel een keuze. Niet kiezen voor het geloven in God is ook een keuze.
De gelovige kan twijfels hebben, maar hij denkt dat er wel degelijk iets te zeggen valt over God. Dat kan in de vorm van een zoektocht zijn, van het aftasten van mogelijkheden, of het vinden van inspiratie. In Nederland zijn tegenwoordig veel mensen agnost. Dat heeft maar al te vaak te maken met spirituele luiheid. Mensen hebben het druk met materiële zaken en hebben geen zin om na te denken over moeilijke vragen van leven en dood. “Zoveel mogelijk genieten” is de lijfspreuk. Genieten is prima, maar als dat een belemmering is om verder te denken, dan wordt het een erg lege bezigheid.
Natuurlijk zijn er ook agnosten die wel heel bewust hebben nagedacht over levensvragen, en zo tot hun keuze zijn gekomen. Maar velen doen dat niet.
Overigens net zoals in het verleden veel mensen gelovig waren zonder veel te hebben nagedacht over die keuze.
 
ietsist
 
Naast deze agnosten zijn er vermoedelijk nog meer mensen die het “ietsisme” aanhangen. Hun stelling is dat ze wel denken dat er “iets” is, maar dat ze daarover verder weinig tot niets kunnen zeggen.
De meeste mensen in deze groep hebben geen zin om zich te vermoeien met vragen over de bron van het leven of de bron van het goede. In feite zeggen zij “er is een God” (ïets”), en daarmee geven ze aan dat er iets veel belangrijkers is dan alleen het lichamelijke leven van de mens. Maar met deze zo wezenlijke vaststelling doen zij verder niets. Dat geeft aan hoe sterk de verleidingen – en de afleiding – van het materiële in ons leven zijn.  En tegelijk hoe belangrijk het voor de ietsist is, om een spirituele zoektocht te beginnen.